Veelgestelde vragen

Crisis- en herstelwet

Wat is de Crisis- en herstelwet?

De Crisis- en herstelwet is op 17 maart 2010 aangenomen. Wanneer de wet van kracht wordt, is nog niet bekend. De Crisis- en herstelwet bevat een aantal tijdelijke en permanente maatregelen. Dankzij deze maatregelen kunnen procedures sneller en eenvoudiger verlopen en kan er ruimte worden gecreëerd voor ruimtelijke initiatieven. Een van de permanente maatregelen uit de Crisis- en herstelwet is de wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998. Deze wijzigingen hebben als doel om de wet in de praktijk beter hanteerbaar te maken.


Op welke punten is de Natuurbeschermingswet dan gewijzigd?

In de volgende wijzigingen is voorzien:

  • Aanpak reductie stikstofdepositie
  • Continuering van het regime voor bestaand gebruik
  • Verlicht beschermingsregime voor beschermde natuurmonumenten
  • Verlicht beschermingsregime voor de oude doelen van Natura 2000
  • Kapstokregels over rekenmodellen en meetmethoden Verduidelijking van de beroepsmogelijkheden tegen beheerplannen
  • Integratie natuurtoets bij tracébesluit en wegaanpassingsbesluit
  • Aanduiding van projecten van nationaal belang die bij voorkeur in het beheerplan worden opgenomen
  • Passende beoordeling van projecten met mogelijke significante effecten in het beheerplan
  • Mogelijkheid tot invoering van een meldplicht
  • Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (E&I) bevoegd gezag voor de vergunningverlening bij rijksinfrastructurele werken

Deze wijzigingen worden hieronder nader toegelicht.


Aanpak reductie stikstofdepositie

De reductie van de stikstofdepositie in de Natura 2000 gebieden is nodig om de instandhoudingsdoelen te realiseren. De reductie kan ruimte scheppen voor nieuwe activiteiten. De wet voorziet in:

  • Een aanvullende bevoegdheid (aanschrijvingsbevoegdheid) voor het bevoegd gezag (provincies, soms de minister van EL&I) om passende maatregelen ter vermindering van de stikstofdepositie op te leggen aan een ieder die handelingen verricht die stikstofdepositie veroorzaken. Provincies hebben daarbij de mogelijkheid om deze maatregelen bij verordening als generieke voorschriften vast te stellen.
  • Een juridisch kader voor een programmatische aanpak van de reductie van de stikstofdepositie: tussen rijk, provincies en andere overheden zullen afspraken worden gemaakt over de maatregelen die nodig zijn om de dalende lijn van de stikstofdepositie te realiseren en om nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken. De wet voorziet in een verplichting van overheden om de afgesproken maatregelen te realiseren.

De gevolgen voor de stikstofdepositie van bestaande, niet-gewijzigde activiteiten (peildatum 7 december 2004), worden niet getoetst bij de beoordeling van een aanvraag van een NB-wet-vergunning. Dat geldt ook voor uitbreidingen van bestaande activiteiten en nieuwe activiteiten, onder de voorwaarden dat er per saldo nergens sprake is van een toename van stikstofdepositie. Let op: ook deze activiteiten kunnen wel onderwerp zijn van de hiervoor genoemde stikstofreductiemaatregelen, en worden daarvan dus niet gevrijwaard.


Continuering van het regime voor bestaand gebruik

De vrijstelling van de vergunningplicht en de aanschrijvingsbevoegdheid blijven beide gelden voor bestaand gebruik dat onverhoopt niet in het beheerplan wordt opgenomen.


Verlicht beschermingsregime voor beschermde natuurmonumenten

Het beschermingsregime voor beschermde natuurmonumenten wordt vereenvoudigd. Het is verboden om zonder vergunning handelingen te verrichten die schadelijk kunnen zijn voor de te beschermen waarden van een natuurmonument, zoals natuurschoon en de natuurwetenschappelijke betekenis ervan. Dit regime biedt het bevoegd gezag in alle gevallen de ruimte om bij vergunningverlening niet alleen rekening te houden met de bescherming van de natuurwaarden, maar ook met economische, sociale en culturele belangen.

De voorzorgtoets in artikel 16, derde lid, van de Natuurbeschermingswet voor handelingen met mogelijk significante effecten vervalt.


Verlicht beschermingsregime voor de oude doelen van Natura 2000

Voor Natura 2000 gebieden die vroeger een beschermd natuurmonument waren, gelden niet alleen de instandhoudingsdoelen ter uitvoering van de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn, maar ook de oude doelen met betrekking tot natuurschoon of de natuurwetenschappelijke betekenis. Deze zogenaamde ‘oude doelen’ stammen uit de tijd dat het gebied een beschermd natuurmonument was. Tot dusverre gold voor die oude doelen het beschermingsregime van de Habitatrichtlijn, terwijl die richtlijn daartoe niet verplicht. Voor beide soorten doelstellingen komen nu aparte beschermingsregimes te gelden.

  • Oude doelen: voor deze doelen komt het lichtere regime voor beschermde natuurmonumenten te gelden.
  • Natura 2000 doelen: voor deze doelen blijft het huidige regime van de Natuurbeschermingswet van toepassing.


Kapstokregels over rekenmodellen en meetmethoden

Het nieuwe artikel 19kb van de Natuurbeschermingswet biedt een basis om bij ministeriële regeling regels te stellen over de wijze waarop de gevolgen voor Natura 2000 gebieden worden vastgesteld, met het oog op de vergunningverlening en de vaststelling van plannen.
In die regels kunnen onder meer rekenmodellen, onderzoeksmethoden of meetmethoden worden voorgeschreven die bij de beoordeling van de effecten moeten worden gehanteerd. Ook kunnen, op grond van een ecologische onderbouwing, geografische beperkingen aan het te onderzoeken gebied worden gesteld.

Door het voorschrijven van modellen en methoden kunnen de effecten van projecten eenvoudiger worden bepaald, hetgeen tot gevolg heeft dat de onderzoekslasten kunnen dalen.


Verduidelijking van de beroepsmogelijkheden tegen beheerplannen

Tegen het besluit tot vaststelling van een beheerplan staat op grond van artikel 39 van de Natuurbeschermingswet beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Daarbij geldt dat slechts bepaalde onderdelen van een beheerplan als besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn aan te merken, en dus voor beroep vatbaar zijn.

Onderdelen van het beheerplan die de beschrijving bevatten van het beleid dat het bevoegd gezag wenselijk acht, waaronder de fasering en prioritering, zijn niet voor beroep vatbaar. Tot dusverre stond dit niet expliciet in de wet. Dat zou kunnen leiden tot misverstanden. Beroepen tegen onderdelen van het beheerplan die niet vatbaar zijn voor beroep, kunnen ertoe leiden dat in het totstandkomingproces langer onzekerheid bestaat over de juridische houdbaarheid van een beheerplan en dat de besluitvorming onnodig wordt vertraagd.
In artikel 39 van de Natuurbeschermingswet is nu duidelijk gemaakt tegen welke onderdelen van het beheerplan beroep openstaat. Dit zijn de beschrijvingen van handelingen die het bereiken van de instandhoudingsdoelstelling niet in gevaar brengen, en de daarbij in voorkomend geval aangegeven voorwaarden en beperkingen. Dergelijke beschrijvingen zijn aan te merken als een besluit, omdat artikel 19d, tweede lid, van de wet regelt dat handelingen die overeenkomstig de beschrijving in het beheerplan worden uitgevoerd, niet vergunningplichtig zijn.


Integratie natuurtoets bij tracébesluit en wegaanpassingsbesluit

De natuurtoets die op grond van de Natuurbeschermingswet plaatsvindt bij projecten waarvoor een tracébesluit of een wegaanpassingsbesluit nodig is, wordt nu geïntegreerd in de besluitvorming voor het tracébesluit of het wegaanpassingsbesluit zelf. De vergunningplicht van de Natuurbeschermingswet is niet meer van toepassing. 


Aanduiding van projecten van nationaal belang die bij voorkeur in het beheerplan worden opgenomen

In artikel 19a, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet is geregeld dat het Rijk projecten en andere handelingen van nationaal belang kan aanwijzen (bij of krachtens algemene maatregel van bestuur) die bij voorkeur worden opgenomen in het beheerplan. Hierbij gaat het om infrastructurele werken, zoals bijvoorbeeld hoofdwegen, landelijke spoorwegen, hoofdvaarwegen, luchthavens en waterkeringen, inclusief zandsuppleties, en om projecten en andere handelingen die van belang zijn voor economisch relevante sectoren, zoals bijvoorbeeld de schelpdiervisserij.

Het is aan het gezag dat het beheerplan vaststelt om te besluiten of de aangewezen projecten en handelingen ook daadwerkelijk worden opgenomen in het beheerplan. Wanneer dat gebeurt, zijn deze projecten en handelingen vergunningvrij en kunnen de in het geding zijnde natuurbelangen integraal en gebiedsgericht worden afgewogen tegen deze projecten en andere handelingen.


Passende beoordeling van projecten met mogelijke significante effecten in het beheerplan

In artikel 19a, tiende lid, van de Natuurbeschermingswet is geregeld dat wanneer in het beheerplan projecten met mogelijk significante effecten zullen worden opgenomen, er voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Een beheerplan waarin dergelijke projecten worden opgenomen, kan pas worden vastgesteld indien een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied is gemaakt.

De artikelen 19g en 19h van de wet zijn van overeenkomstige toepassing, hetgeen betekent dat uit de passende beoordeling de zekerheid moet zijn verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000 gebied niet zullen worden aangetast, en er anders, ingeval van dringende redenen van openbaar belang, compenserende maatregelen moeten worden getroffen.


Mogelijkheid tot invoering van een meldplicht

In artikel 19kc van de Natuurbeschermingswet is de bevoegdheid opgenomen om bij ministeriële regeling een meldplicht voor bepaalde activiteiten in te voeren. Deze meldplicht is bedoeld voor uitzonderlijke gevallen. In beginsel moet de informatie in het beheerplan, de informatie op basis van de verleende Nb-wet-vergunningen en de informatie die bij de overheid aanwezig is op basis van andere verleende vergunningen of gedane meldingen, een goed beeld geven van alle activiteiten die verslechterende of significant verstorende effecten kunnen hebben op de natuurwaarden.


Minister van LNV bevoegd gezag voor de vergunningverlening bij rijksinfrastructurele werken

In het Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998 is geregeld in welke gevallen de Minister van LNV in plaats van gedeputeerde staten, het bevoegd gezag is voor de verlening van vergunningen als bedoeld in artikel 19d van de Natuurbeschermingswet.

De wijziging van dat besluit in de Crisis- en herstelwet maakt dat de minister van LNV het bevoegd gezag is voor alle activiteiten die betrekking hebben op rijksinfrastructurele werken, primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk, zandsuppleties, luchthavens, inclusief handelingen met betrekking tot het onderhoud daarvan.

 

Deel deze pagina

E-mail Print Twitter Facebook